Terug naar beginpagina
Kinderen iets leren wat ze nog niet weten
maar waar ze wel aan toe zijn
Deel op Facebook Tweet Printervriendelijke versie    @Contact

1.    "De wet verbiedt niet om begaafde kinderen deftig op te vangen"

Het is inderdaad zo dat de wet in ons land dit niet verbiedt.

Artikel 8 van het "Decreet Basisonderwijs" (vanaf nu "het decreet") begint zelfs met "Het gewoon basisonderwijs wordt zodanig georganiseerd dat, op grond van een pedagogisch project, in de school een opvoedings- en leeromgeving gecreëerd wordt waarin de leerlingen een ononderbroken leerproces kunnen doormaken. Die omgeving wordt aangepast aan de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen."

Tezelfdertijd voorziet ditzelfde decreet expliciet bepaalde zaken om deze basisregel in de praktijk te brengen (de verschillende netten doen dat trouwens ook in hun Pedagogische Opdrachtsverklaringen).

Voor het gewoon basisonderwijs verplicht het decreet namelijk om voor alle kinderen een bepaald minimum te halen: de eindtermen.

Artikel 44 van het decreet stelt: "Elke school heeft de maatschappelijke opdracht de leergebiedgebonden eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht en vaardigheden bij de leerlingen te bereiken."

Voor het bijzonder onderwijs voorziet het decreet het opstellen -individueel voor elk kind- van een individueel handelingsplan om zo ver mogelijk de  ontwikkelingsdoelen te bereiken.

Artikel 44 van het decreet stelt "Ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs zijn doelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht voor zoveel mogelijk leerlingen van de leerlingenpopulatie. In samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding en zo mogelijk in overleg met de ouders en eventueel andere betrokkenen, kiest de klassenraad de ontwikkelingsdoelen die aan individuele leerlingen of groepen worden aangeboden en uitdrukkelijk nagestreefd."

Voor alle kinderen stelt de Vlaamse overheid een onderwijsdoel: de eindtermen of ontwikkelingsdoelen. Die moeten kinderen op bv. het einde van de lagere school bereiken. Zo leren kinderen reeds in de lagere school wat het is om zich in te spannen en om zich zo volledig mogelijk te kunnen/te leren ontplooien.  De enige groep kinderen voor wie het decreet niet expliciet wat voorziet zijn de 'snelste' kinderen. Ook zij moeten alleen maar de eindtermen halen.

Voor de begaafde kinderen geeft het decreet geen expliciete richtlijn om leerlingen een ononderbroken leerproces te laten doormaken.

Het enige, dat specifiek, doch impliciet voor begaafde leerlingen opgenomen werd  in het ganse decreet, staat in artikel 19: "In het gewoon onderwijs kan een leerling, in afwijking van artikel 14, minimum 4 jaar - behoudens, in uitzonderlijke omstandigheden, afwijking toegestaan door de Vlaamse regering - in het lager onderwijs doorbrengen"

Met andere woorden, de wetgever geeft de toelating om via de toepassing van het hierboven aangehaalde artikel twee jaar subsidies voor die leerlingen uit te sparen doch verder dan dit blijkt de Vlaamse overheid tot op heden echter niet te willen gaan. Voor een grote meerderheid van de Vlaamse schoolkinderen in het kleuter- en basisonderwijs zijn maatregelen in functie van een ononderbroken leerproces voorzien, maar niet voor de naar schatting 10% begaafde kinderen in het Vlaamse kleuter- en basisonderwijs.

Interpretatie van EduRatio: "We verbieden het niet. We geven geld, we stellen wettelijke doelen voor alle leerlingen waarbij in de praktijk blijkt dat het bereiken van de doelen voor ongeveer 90% van hen een inspanning vraagt die min of meer gelijk loopt met de voorziene tijd in het basisonderwijs. Voor de overige leerlingen die veel sneller de vooropgestelde doelen bereiken, verbieden we niet om ook iets te doen. We laten het echter aan de scholen over om te kiezen of ze, naast de eventuele toepassing van de geboden mogelijkheid tot versnellen (cfr. art. 19 van het decreet), het geld dat wij hen ter beschikking stellen, enkel uitgeven aan het bereiken van wettelijk gestelde doelen of ook een beetje ten gunste van de persoonlijke ontplooiing van de naar schatting 10% doodgezwegen leerlingen die onze huidige doelstellingen te snel bereiken."

Zou de overheid niet wat meer duidelijkheid kunnen scheppen over het in praktijk brengen van artikel 8 van het decreet voor die groep van leerlingen, die zich zó snel ontwikkelen, dat het gewone leerprogramma (zelfs met de daarin voorziene differentiatie) helemaal niet in staat is om een ononderbroken leerproces en voortgang in de ontwikkeling te creëren? En zou de overheid daarvoor, net zoals bij het bijzonder onderwijs, wat middelen willen vrijmaken?

Op pagina 27 van de beleidsnota "Vandaag kampioen in wiskunde, morgen ook in gelijke kansen" zegt minister Vandenbroucke, in het kader van het geplande nieuw financieringssysteem, gebaseerd op een relevante selectie van school- en leerlingenkenmerken: "Dit spoort met ons voornemen de scholen meer autonomie te geven, maar veronderstelt tegelijk dat we de scholen meer aanspreken op hun verantwoordelijkheid om leerwinst en degelijke prestaties met al hun leerlingen te realiseren." Houdt dit in dat ook de leerwinst van (hoog)begaafde leerlingen zal gerealiseerd worden? En dat ook van hen 'degelijke prestaties' verwacht worden? Waarbij niet bedoeld wordt "95% van de punten halen" maar "zich inspannen"? Of zal (hoog)begaafdheid niet als een relevant leerlingenkenmerk worden weerhouden?

2.    "Is er wel een eenduidige definitie van hoogbegaafdheid?"

Neen, die is er niet: er zijn meerdere definities mogelijk. Dit heeft wetgevers in andere landen er echter niet van weerhouden om een eigen definitie te formuleren. In 1971 publiceerde de Commissie Onderwijs in de Verenigde Staten (VS) het zgn. Marland Report (genoemd naar de voorzitter van de commissie). De definitie (eigen vertaling) die zij hanteerden was

Begaafde en getalenteerde kinderen zijn deze, die geïdentificeerd zijn door bevoegde professionelen, en die ingevolge hun bijzondere gaven in staat zijn om hoge prestaties te leveren. Dit zijn kinderen die in het onderwijs nood hebben aan een gedifferentieerde aanpak en/of diensten die verder gaan dan hetgeen in een normaal schoolprogramma aangeboden wordt, om in staat te zijn om zichzelf te ontplooien en hun bijdrage tot de maatschappij te leveren.

Kinderen die in staat zijn tot het leveren van hoge prestaties zijn o.a. dezen die reeds gepresteerd hebben en/of hoge bekwaamheid hebben in een of meerdere van deze domeinen:

  1. Algemene intellectuele begaafdheid
  2. Specifieke academische aanleg
  3. Creatief of productief denken
  4. Aanleg tot leiderschap
  5. Visuele en uitvoerende kunsten
  6. Psychomotorische aanleg

 

Het duurde daarna in de VS nog tot 1981 ("Omnibus Budget Reconciliation Act") vooraleer er serieuze budgetten vrijgemaakt werden voor "speciale programma's om kinderen te identificeren, aan te moedigen en om hun speciale noden tegemoet te komen op het vlak van onderwijs."

 

Voor een overzicht van de huidige wetgeving en voorzieningen in de afzonderlijke staten van de VS, zie www.davidsongifted.org/db/StatePolicy.aspx.

Op dit ogenblik zitten we in Vlaanderen dus nog steeds niet op het punt waar men in de VS zat in 1971, namelijk het duidelijk stellen -door de overheid- dat deze kinderen bestaan en bovendien nood hebben aan zaken (qua inhoud en vorm) die het hedendaags onderwijs standaard niet aanbiedt.

In de ons omringende landen is men al jaren bezig met allerlei initiatieven, ook op beleidsvlak:

  • het meeste (alle?) Nederlandstalige verrijkingsmateriaal (= vervangend, moeilijker lesmateriaal) is afkomstig uit Nederland (zie hieronder voor meer hierover). Voor een kort overzichtje van wat er in Nederland van overheidswege zoal ondernomen wordt, zie www.cps.nl/engine.php?Cmd=see&P_site=589&P_self=1350.
  • in Frankrijk werd in september 2000 op vraag van het ministerie van Onderwijs een werkgroep opgericht om zich over de opvang van de hoogbegaafde kinderen in de Franse scholen te beraden. Voor het persdossier en het volledige rapport "La scolarisation des élèves intellectuellement précoces", zie media.education.gouv.fr/file/34/9/349.pdf.
  • in Duitsland vroeg de overheid aan drie wetenschappers om de bestaande initiatieven in kaart te brengen en aanbevelingen te geven zowel voor de scholen als voor het overheidsbeleid. Het resultaat was het in 2001 gepubliceerde rapport "Begabtenförderung - ein Beitrag zur Förderung von Chancengleichheit in Schulen - Orientierungsrahmen", zie www.pedocs.de/volltexte/2008/284/pdf/heft91.pdf. Het is met Duitse Gründlichkeit opgesteld. Het steunt voor het opstellen van de reeks aanbevelingen op internationale wetenschappelijke resultaten (de literatuurlijst bestaat uit 10 bladzijden) en is daardoor rationeler dan het meer emotioneel getinte Franse rapport, dat eerder steunt op getuigenissen van ouderverenigingen en mensen in de Franse onderwijswereld. Hierdoor pleit het Franse rapport voor gepaste opvang van hoogbegaafde kinderen op basis van het voorkomen van "des difficultés". Hetgeen natuurlijk een ganse discussie losmaakt over wat nu eigenlijk een "difficulté" is, hoeveel kinderen er zo'n "difficulté" hebben, enz…

Het Duitse rapport gaat uit van hetzelfde uitgangspunt als onze werkgroep: gelijke kansen voor alle kinderen, ook voor hoogbegaafden. En niet alleen gelijke uitkomsten! Net zo min als voor andere kinderen vormt het voorkomen van "problemen" niet het hoofdargument in ons pleidooi. Wij menen immers dat het hoofddoel van onderwijs het ontplooien van de talenten van elk kind is, niet het 'voorkomen van problemen'. Dit wordt met evenveel woorden in Artikel 29 van het Kinderrechtenverdrag, dat ook België ondertekende, gezegd: "1. De Staten die partij zijn, komen overeen dat het onderwijs aan het kind dient gericht te zijn op de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind". Het Duitse Ministerie van Onderwijs voert Chancengleichheit hoog in het vaandel en publiceerde daarom een informatiebrochure (www.bmbf.de/de/762.php) voor scholen en ouders, gratis te downloaden op www.uni-rostock.de/fileadmin/UniHome/Gbur/begabte_kinder_finden_und_foerdern.pdf  (PDF, 3MB).

ˇ       In Wallonië gaf minister Hazette in 1999 het startschot voor een gecoördineerde interuniversitaire actie. Vijf universiteiten (Université Libre de Bruxelles, Université de Liège, Université de Mons-Hainaut, Université Catholique de Louvain, Facultés universitaires Notre-Dame de la Paix à Namur) sloegen de handen in elkaar en vormden een netwerk ter ondersteuning van overheid, ouders, leerlingen en scholen. De voorgeschiedenis, de ingrepen tot nu toe en de huidige stand van zaken staan opgesomd op www.douance.be/douance-ehp-textes.htm (zie onder "Belgique"). Op basis van het laatste rapport kunnen we stellen dat men ook in Wallonië in eerste instantie vertrok van "les difficultés" maar langzamerhand opschuift in de richting van "Chancengleichheit".

 

Hoogbegaafde kinderen, ongeacht de gehanteerde definitie:

  • zitten een tot drie vierde van hun tijd te wachten in onze klassen
  • ervaren hun tijd op school vaak als complete verspilling
  • leren niet om zich in te spannen, waardoor ze nooit eens ervaren wat het is om te denken dat iets niet gaat lukken, maar vast te stellen dat het, mits enige inspanning wel lukt

3.    "Welke 'onderwijsbehandeling' is de beste voor hoogbegaafden?"

Hierover zijn al boekdelen vol geschreven en zijn al duizenden buitenlandse wetenschappelijke studies verschenen. Er zijn weinig redenen om aan te nemen dat de Vlaamse kinderen zodanig verschillen van de buitenlandse, dat de resultaten van deze studies hier niet toepasselijk zouden zijn. De drie belangrijkste 'behandelingen' (die best samen aangeboden worden) zijn:

  • Versneld aanbieden van de leerstof. Dit kan op verschillende manieren. De eenvoudigste (voor de scholen) is het overslaan van een leerjaar. Maar men kan ook de leerstof van een beperkt aantal vakken vroeger aanbieden (bijvoorbeeld door de leerstof van een hoger leerjaar naar de leerling te brengen, of door de leerling voor een bepaald vak in een hogere klas les te laten volgen). Of men kan overbodige herhalingen elimineren ("compacting") en vervangen door ander materiaal ("verrijking"). In de VS is over versnelling een lijvig rapport gemaakt door eminente wetenschappers: "A Nation Deceived". Het is gratis verspreid over alle scholen in de VS. Zie www.nationdeceived.org : het rapport en de wetenschappelijke studies die het ondersteunen zijn gratis te downloaden.
    Versnelling (in alle vormen) is wereldwijd zowat het meest bestudeerde onderwerp op pedagogisch vlak. Jammer genoeg wordt deze mogelijkheid nog steeds aan veel kinderen ongewild ontzegd uit onwetendheid, doordat velen het hoogbegaafde kind niet kunnen/weten te detecteren en zelfs na 'detectie' nog heel lang aarzelen om het versneld doorheen de leerstof te laten gaan.
  • Differentiatie die (veel) verder gaat dan wat er in de 'standaard' methodes, die onze scholen gebruiken, zit. Nog al te vaak 'beloont' men begaafde kinderen met extra werk in plaats van met ander werk.
  • Groeperen volgens bekwaamheid van leerlingen. Ook hierover is er een overweldigende hoeveelheid onderzoeksresultaten beschikbaar: begaafde kinderen zouden zoveel mogelijk moet samenzitten. Ofwel binnen de klas, ofwel deeltijds  buiten de klas (bijvoorbeeld in zogenaamde 'kangoeroeklassen' in de lagere school), ofwel in een klas met enkel hoogbegaafde leerlingen. Of men als school zal kiezen voor het deeltijds of voltijds samenzetten van hoogbegaafden, zal afhankelijk zijn van de lijnen die de school wil uitzetten binnen hun eigen pedagogisch plan.

4.    "Wat kunnen we concreet doen en hoeveel kost het?"

Wij willen een aantal concrete maatregelen voorstellen, zowel op korte als lange termijn.

4.1.       Informatiecampagne

Er heersen heel wat misverstanden bij ouders van begaafde kinderen en bij mensen in het onderwijs. Dit is niet verwonderlijk. Men kan gerust stellen dat een op tien kinderen grote nood heeft aan aanpassingen in het onderwijs (zowel op het vlak van inhoud als de onderwijsvorm, bijvoorbeeld de snelheid). Geregeld kun je dan ook opmerkingen noteren zoals:

ˇ       "Cognitief is uw kind inderdaad makkelijk in staat om een jaar over te slaan, maar sociaal-emotioneel is dat gevaarlijk. Beter op veilig spelen dus."

ˇ       "We hebben veel slimme kinderen. Hoe weten we dat dit kind verschillend is?"

ˇ       "Als je kleuter grote interesse vertoont in leren lezen, schrijven en/of rekenen, dan moet je dit trachten te ontmoedigen. Anders gaat het kind niks meer te leren hebben in het eerste leerjaar!"

ˇ       "Er is werkelijk geen enkel bewijs dat kinderen versneld door de leerstof laten gaan enig gunstig academisch of sociaal effect zou hebben"

ˇ       "Het beste is om de hoogbegaafde kinderen zoveel mogelijk tussen 'gewone' kinderen te laten zitten, zodat ze voorbereid worden op hun leven in de maatschappij. We willen hen niet het gevoel geven om tot een elite te behoren"

ˇ       "Laat uw kind kind zijn. Zij hoeft geen inspanning te doen om het maximum van de punten te behalen. Wees blij met zo'n slim kind, laat haar genieten van haar mooie resultaten en vooral: laat haar veel spelen!"

ˇ       "Hoe kunnen we zeker zijn dat ze zich goed gaan voelen tussen oudere kinderen als ze niet eens in staat zijn om vriendjes van hun eigen leeftijd te maken?"

ˇ       "De rijken kunnen het zich veroorloven om hun kinderen snel doorheen het onderwijs te loodsen"

ˇ       "Een kleuter kan zichzelf niet leren lezen. Dat kan enkel als de ouders pushen."

ˇ       "We hebben dat ooit nog eens gedaan, en het is niet goed afgelopen met dat kind want het heeft zijn 4de middelbaar" moeten overdoen

Op al deze zaken bestaat een heel duidelijke repliek, stevig ondersteund door massa's wetenschappelijke studies. Voor heel veel leerkrachten, schooldirecties, medewerkers van Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB), lerarenopleiders, hulpverleners én ouders blijkt deze wetenschappelijk ondersteunde repliek echter dikwijls sterk af te wijken van hun eigen ideeën. De ideeën zijn vaak gevormd ofwel door extrapolatie van de zaken die men tijdens de opleiding leerde (waarbij er weinig of geen rekening werd gehouden met het bestaan van hoogbegaafde leerlingen) ofwel door anekdotisch "bewijs", heel vaak op basis van een zeer klein aantal 'gevallen'. Omdat een negatieve ervaring een veel grotere impact heeft en veel langer nazindert dan een positieve, is het algemene beeld omtrent begaafde kinderen in het onderwijs sterk vertekend.

Begaafde kinderen én hun begeleiders (ouders, leerkrachten, familie, …) zouden baat hebben bij een duidelijke uiteenzetting over wat hoogbegaafdheid is en met zich meebrengt, want al te vaak denken de mensen, zowel ouders als onderwijsmensen, bij begaafdheid aan 'spectaculaire' toestanden, terwijl er in elke klas in Vlaanderen statistisch gezien minstens een hoogbegaafd kind zit.

Als we zo al wat hardnekkige en nefaste mythes weg zouden kunnen werken, dan hebben we al een grote stap in de goede richting gezet.

In een adem zou ook een uiteenzetting kunnen gegeven worden van een mogelijke aanpak van begaafde kinderen op school, heel specifiek voor de Vlaamse situatie. Ook in Vlaanderen zijn er immers reeds scholen met ervaring in de opvang van hoogbegaafde kinderen. Het volstaat om deze ervaring te verspreiden in de vorm van raadgevingen, ondermeer op het vlak van:

ˇ       stevig structureel onderbouwde identificatie van begaafde kinderen, waarbij nattevingerwerk zoveel mogelijk geschuwd wordt

ˇ       beschrijving van alternatief lesmateriaal dat binnen en buiten de klas kan ingezet worden ter vervanging van overbodige leerstof, inclusief de manier waarop dit materiaal kan aangeboden worden zonder de hele klaswerking overhoop te gooien

ˇ       wetenschappelijk ondersteund advies bij het overwegen van het overslaan van een jaar, dit op basis van in Vlaanderen bestaande meetinstrumenten (zoals leerling- of kindvolgsysteem en IQ-tests) en vragenlijsten voor leerkrachten, ouders en kinderen (de zogenaamde 'versnellingswenselijkheidsprocedure')

Een informatiecampagne dient volgens ons meer te zijn dan de klassieke eenmalige folder- en posteractie. Een duidelijke duurzame sensibiliseringsactie die op lange termijn kan bijdragen tot een correcte interpretatie van begaafdheid wensen wij als resultaat. Aangezien deze zeer ambitieuze doelstelling, lijkt het ons momenteel onverantwoord om een (zelfs geschatte) prijs te plakken op dit onderdeel van ons initiatief.

Vermits wij constructief willen bijdragen, plannen wij overleg met specialisten terzake teneinde hieromtrent een gefundeerd voorstel te doen dat op termijn kan bijdragen tot een mentalitetswijziging bij alle betrokkenen.

4.2.       Differentiatiemateriaal

De 'methodes' die in de Vlaamse scholen gehanteerd worden bevatten reeds de mogelijkheid tot differentiëren, maar de alternatieve stof is al te vaak 'meer van hetzelfde' i.p.v. 'alternatief'. Gelukkig bestaan er, zowel voor Taal als Rekenen, verschillende pakketten die kunnen ingezet worden. Dit kost minder dan 20 EUR per jaar per betrokken leerling.

Ondermeer door de in Nederland van overheidswege gedane inspanningen omtrent differentiatiemateriaal, is nagenoeg al het in Vlaanderen gebruikte materiaal (bijvoorbeeld Somplex, Plustaak) uit Nederland afkomstig, hetgeen soms problemen oplevert omwille van het voor Nederland typische taalgebruik (vooral moeilijkheden bij de differentiatie voor Taal, zoals bij het gebruik van "Cryptologisch", "Slimme Taal" of "Taaltoppers" - allemaal differentiatiemateriaal van Nederlandse origine) of de op de Nederlandse omgeving gebaseerde vraagstelling (bijvoorbeeld "Noem de hoofdstad van Groningen").

Er is bijvoorbeeld geen Vlaams equivalent van de initiatieven op het vlak van hoogbegaafdheid van de Nederlandse "Stichting Leerplan Ontwikkeling" (SLO, www.slo.nl) of van de Nederlandse onderwijsgebegeleidingsdienst (www.architecteninleren.nl).

4.3.       Ondersteuning vanuit het zorgbeleid

De hierboven beschreven zaken (informatiecampagne en differentiatiemateriaal) komen ten goede aan ongeveer 10% van de Vlaamse leerlingen, maar ook aan de rest van de leerlingen op school: zij kunnen immers positief beïnvloed worden door klasgenoten, die gemotiveerd naar school komen en die hard werken.

De leerkrachten zien ook een positief resultaat, want het aantal 'stoorzenders' in de klas daalt wanneer iedereen aan zijn trekken komt. Dit leidt ertoe dat de leerkrachten meer tijd hebben voor alle leerlingen.

Om die 10% echter te 'ontdekken' is er wat werk met betrekking tot screening nodig. In de Vlaamse scholen, die vandaag een beleid rond hoogbegaafden hebben, wordt het gros van deze taak uitgevoerd door de zorgbegeleider. Kort samengevat komt het er op neer:

ˇ       Verwerken van de antwoorden op een vragenlijst (het zogenaamde signalisatieprotocol), ingevuld door de klasleerkrachten, voor elk individueel kind. Hieruit komen dan potentiële 'kandidaten'.

ˇ       De 'kandidaten' doortoetsen (bv. door het afnemen van een toets leerlingvolgsysteem van een jaar hoger) om na te gaan welke kinderen een serieuze voorsprong hebben, hoe groot die voorsprong is en op welk vlak (vlakken) die zich situeert.

Eenmaal een goed zorgbeleid voor hoogbegaafden geïmplementeerd werd binnen de school, blijkt uit de praktijk dat deze screening op jaarbasis ongeveer de lestijden van een voltijdse zorgbegeleider in beslag neemt per 7.000 leerlingen. Op basis van geschatte gemiddelde kost van 43.000 EUR voor een voltijdse zorgbegeleider komt dit dus op 6 EUR per leerling. Het is nodig om bij de screening objectieve meetinstrumenten te gebruiken, omdat de best presterende leerlingen in de klas niet altijd de meest begaafde zijn (de prestaties kunnen ook het resultaat zijn van hard werken). Nattevingerwerk is uit den boze, vermits het niet de bedoeling kan zijn om kinderen, die reeds hard werken, te overbelasten.

Het screeningmateriaal zelf moet eenmalig aangeschaft worden en kost ongeveer 300 EUR voor een school.

 

4.4.       Terugverdieneffect

De hierboven beschreven aanpak heeft echter ook financiële baten.

Momenteel worden ongeveer 1% van de leerlingen in Vlaanderen versneld. In de loop der jaren werden steeds minder leerlingen versneld. In 1957 was dat bijvoorbeeld het geval voor meer dan 3% (zelfs meer dan 5% bij de jongens) [bron: "Statistisch Jaarboek van het (Vlaams) Onderwijs" periode 1957-2003]. Het schoentje wringt vooral in het gebrek aan informatie bij ouders, CLB's en leerkrachten. Men hoort nog heel vaak mensen beweren dat er zware 'sociale en emotionele problemen' zouden te verwachten zijn bij de versnelling van een kind. Talloze internationale studies spreken dit zéér overtuigend tegen. In de VS is een grote campagne gestart (in alle scholen) om deze mythes te ontkrachten. Voor details (en de wetenschappelijke studies waarop dit allemaal gebaseerd is), zie nationdeceived.org.

Een informatiecampagne, die erin slaagt om het percentage versnelde leerlingen opnieuw op 3% te krijgen, zou ervoor zorgen dat er jaarlijks zo'n 1350 leerlingen meer zouden versneld worden in ons kleuter- en basisonderwijs dan vandaag. Aangezien een leerling in de basisschool ong. 3.500EUR per jaar kost (bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs 2003/2004, hoofdstuk 5 "Budget"), zouden er op deze manier jaarlijks bijna 5 miljoen euro extra (in vergelijking met de toestand vandaag en de voorbije 10 jaar) middelen vrijkomen. Dit bovenop de 2,5 miljoen euro die vandaag reeds vrijkomen door de versnelling van 1% van de kinderen (ongeveer 700/jaar - bron: "Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs" 2003/2004) in het gewoon onderwijs.

Het overslaan van een jaar vormt in het geval van hoogbegaafde kinderen vaak een noodzakelijk onderdeel van de verwezenlijking van het 'ononderbroken leerproces' (waarvan sprake in artikel 8 van het decreet), net zoals het aanbieden van differentiatiemateriaal en het bieden van de mogelijkheid tot contact tussen hoogbegaafde kinderen (bijvoorbeeld in een zogenaamde "kangoeroeklas") daar een onderdeel van vormen. Het lijkt ons dan ook logisch dat de middelen, die vrijkomen door de versnellingen, aangewend zouden worden om te helpen de andere elementen mee te financieren. Dit zou bv. kunnen gerealiseerd worden door het uitgespaarde bedrag te verdelen over de volgende vijf jaren. Bijvoorbeeld: een kind, dat het tweede leerjaar overslaat, zou dan gedurende bijvoorbeeld vijf achtereenvolgende jaren (dus tot en met het eerste middelbaar) elk jaar een 'pakketje' van 700 EUR meekrijgen naar de school waar het op dat ogenblik naartoe gaat. Uit het totaal van dergelijke inkomsten zou een school dan een beleid rond hoogbegaafden kunnen financieren. Wij menen dat dit uitstekend past in de 'alternatieve' financiering die momenteel overwogen wordt. Er hoeven geen nieuwe bronnen aangesproken te worden: de financiering per kind blijft identiek. Men schakelt enkel het huidige mechanisme uit waarbij men het geld, dat men uitspaart in één element (versnellen) van de opvang van hoogbegaafde kinderen, herverdeelt onder alle kinderen, terwijl de andere twee elementen (differentiatie en mogelijkheid tot contact) van de opvang van diezelfde kinderen ditzelfde geld goed zouden kunnen gebruiken. Niet alle hoogbegaafde kinderen worden versneld en niet alle versnelden zijn hoogbegaafd, maar dit mechanisme zou er alleszins voor zorgen dat scholen (zoals er vandaag in Vlaanderen enkele zijn), die zich o.a. voor deze doelgroep specifiek inzetten en daardoor een 'concentratie' van begaafde kinderen aantrekken, hiervoor de nodige middelen krijgen. Via ditzelfde systeem kunnen overigens ook de lestijden voor screening, beschreven in sectie 4.3, gefinancierd worden. Een bijkomend voordeel van dit systeem zou zijn dat kinderen, die meer dan een keer versneld worden (en voor wie de nood aan speciale 'aanpassingen' dus nog hoger is), ook een groter 'pakketje' zouden meebrengen (namelijk 700 EUR per versnellingsjaar).

Indien men van mening is dat het bovenstaande voorstel een te uitgebreide administratie vergt die de draagkracht van de scholen overschrijdt, dan is het alternatief dat het 'uitgespaarde' geld vanuit de overheid toegekend wordt aan die scholen die effectief versnelde leerlingen hebben en een beleid hebben uitgebouwd om hen te ondersteunen. Dit kan bekeken worden aan de hand van de jaarlijkse tellingen.

Naast dit terugverdieneffect op zeer korte termijn is er overigens nog een tweede terugverdieneffect op lange termijn. Talloze studies hebben uitgewezen dat (correct) versnelde leerlingen een veel beter zelfbeeld hebben (en gelukkiger opgroeien) en hun talenten over het algemeen veel beter ontplooien dan de niet versnelde leerlingen van gelijke begaafdheid. Bovendien zal een versnelde leerling ook een of meer jaren vroeger productief zijn (en belastingen betalen) en zijn/haar bijdrage kunnen leveren in onze maatschappij. De ontegensprekelijke ontwikkeling in de richting van een Vlaamse kenniseconomie in een Europa dat veel belang hecht aan deze evolutie, kan alleen maar baat hebben bij een zo optimaal mogelijke ontplooiing van al haar inwoners. Een bijkomend terugverdieneffect van een doordacht en structureel hoogbegaafdenbeleid dat op lange termijn een grote bijdrage zou kunnen leveren tot het behoud van een dynamische Europese regio en dit op alle mogelijke vlakken.

4.5.       Budget: overzicht en enkele overwegingen

In ons kleuter- en basisonderwijs zitten momenteel ongeveer 635.000 leerlingen (telling februari 2004, de cijfers voor 2005 hebben wij momenteel nog niet ter beschikking). Tien percent daarvan betekent 64.000 leerlingen.

We kunnen niet verwachten dat een informatiecampagne, hoe degelijk ook, alle mensen in het onderwijs gaat overtuigen om in hun school de uiteengezette basisprincipes in de praktijk te brengen en/of 100% van de ouders gaat bereiken.

Om een eerste schatting van de kosten te maken, kunnen we ervan uitgaan dat in het beste geval 50% van de leerlingen (en scholen) daadwerkelijk zal genieten van het resultaat van zo'n campagne (wij menen dat het zeer optimistisch is om te stellen dat de helft van de scholen in Vlaanderen na een informatiecampagne prompt zou starten met het uitbouwen van een beleid rond hoogbegaafden, inclusief aankoop van materiaal en screening van alle leerlingen). Het betreft hier hoe dan ook ruwe schattingen, teneinde een eerste idee te krijgen van de grootteorde van een en ander.

Samenvattend spreken we dus voor gans Vlaanderen over:

ˇ       Een informatiecampagne.

ˇ       Aanschaf van differentiatiemateriaal voor 32.000 leerlingen (20 EUR per leerling): 640.000EUR per jaar.

ˇ       Aanschaf screeningmateriaal (300 EUR per school): eenmalig 330.000EUR voor de aanschaf door 1.100 (de helft) scholen.

ˇ       Screening vanuit zorgbeleid: 6EUR per leerling (in lestijden zorgbegeleiding). Indien dit voor de helft van de leerlingen in Vlaanderen zou gebeuren: 1,9 miljoen euro.

In totaal spreken we dus, naast de informatiecampagne, over ongeveer 2,6 miljoen euro jaarlijks (screeningmateriaal afschrijvend over enkele jaren). Rekening houdend met de terugverdieneffecten en zelffinanciering (via de jaarlijkse 'pakketjes' van 700 EUR) beschreven in sectie 4.4 zou dit systeem echter volledig (!) zelfbedruipend kunnen zijn. Het volstaat daarbij dat de overheid de financieringsstructuur uitwerkt. Scholen, die daadwerkelijk inspanningen leveren, zullen automatisch meer begaafde leerlingen aantrekken, hetgeen betekent dat er in die scholen meer versnelde leerlingen zullen zitten, waardoor via het alternatieve financieringssysteem middelen aangevoerd worden om de geleverde inspanningen te ondersteunen. Het volstaat dat de overheid het huidige mechanisme doorbreekt, met name: in plaats van het door de versnellingen uitgespaarde geld te verdelen over andere initiatieven (zoals we mogen aannemen dat het tot op heden gebeurde), zouhet voor dezelfde groep kinderen productief kunnen ingezet worden.

Om het gehele voorstel (dus ook de informatiecampagne) volledig zelffinancierend te maken zou een eenvoudig systeem met een centrale 'begaafdheidskas' kunnen gebruikt worden. In deze kas zou de 'versnellingswinst' gestort worden voor elke versnelde leerling (op dit ogenblik dus 3.500EUR per uitgevoerde versnelling). Hieruit zouden dan twee zaken gefinancierd kunnen worden:

ˇ       de jaarlijkse 'pakketjes' van 700EUR voor de scholen. Met dit geld kunnen de scholen op hun beurt de aanschaf van screening- en differentiatiemateriaal, de lestijden voor de screening en eventueel ook de bijscholing met betrekking tot hoogbegaafdheid financieren.

ˇ       de informatiecampagne. Deze kan bijvoorbeeld gefinancierd worden met de interesten op de inhoud van de kas (vermits de 'versnellingswinst' uitgekeerd wordt aan de scholen in vijf schijven over een periode van vijf jaar).

De bovenstaande schattingen met betrekking tot materiaal gaan er vanuit dat elke school volledig afzonderlijk materiaal aankoopt. Op het vlak van differentiatie- en screeningmateriaal zouden natuurlijk grote besparingen kunnen gerealiseerd worden door deze centraal aan te kopen en te verdelen onder de scholen, bijvoorbeeld via de scholengroepen. Zoals wij reeds aanhaalden in sectie 4.2 zou het trouwens erg nuttig zijn indien de Vlaamse overheid het voorbeeld van Nederland zou volgen en de ontwikkeling van dit materiaal daadwerkelijk zou subsidiëren, waardoor bepaalde 'problemen' met het Nederlandse materiaal vermeden zouden worden.

5.    Besluit en een blik vooruit.

In dit ganse verhaal spreken we over leerlingen, die even 'uitzonderlijk' zijn in hun mogelijkheden (in frequentie van voorkomen) als de leerlingen die momenteel in het bijzonder onderwijs zitten. Van overheidswege is er in Vlaanderen in het verleden steeds gepleit voor inclusie van de begaafde kinderen in het gewone onderwijs. Het grote probleem is echter dat, in tegenstelling tot de inclusie van kinderen die uit het bijzonder onderwijs komen, er geen 'type' voor begaafde leerlingen is in het bijzonder onderwijs en er geen scholen voor bijzonder onderwijs aan begaafde leerlingen zijn. Er kan dus geen GON-ondersteuning geboden worden via (specialisten uit) dat bijzonder onderwijs. Er wordt ook nauwelijks andere ondersteuning geboden. Idealisten in enkele scholen roeien met de riemen die ze hebben. Ouders huren met eigen middelen (als ze überhaupt over voldoende middelen beschikken) externe raadgevers in. Enkele CLB's doen, ondanks hun chronisch gebrek aan personeel, inspanningen om mensen bij te scholen op dit vlak. De initiatieven zijn enorm versnipperd over gans Vlaanderen. Alles is gesteund op goede wil, die gelukkig op verschillende plaatsen in grote mate aanwezig is, of op puur geluk dat kinderen bij leerkrachten terecht komen die overweg kunnen én ook willen met hun begaafdheid. Telkens opnieuw moeten deze mensen van goede wil het warme water opnieuw trachten uit te vinden, waar zeer veel kostbare tijd insteekt.

Wij menen dat de combinatie van een informatiecampagne met het oprichten van het hierboven beschreven financieringsmechanisme, en het weerhouden van begaafdheid als een relevant leerlingenkenmerk in de nieuw geplande financieringsmethode,  voor tienduizenden kinderen in Vlaanderen een reusachtige vooruitgang zou kunnen verwezenlijken. Koken kost geld, zegt men. Maar in dit geval menen wij dat door een degelijk uitgewerkt beleid nauwelijks extra geld nodig is.

In vergelijking met de jaarlijkse 200 miljoen euro, die de 29.000 leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs meer kosten dan evenveel leerlingen in het gewone basisonderwijs (bron: "Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs" 2003/2004), valt dit voorstel naar onze mening nog redelijk mee qua inspanning van overheidswege.

Op langere termijn zou kunnen overwogen worden om op verschillende plaatsen in Vlaanderen klassen of scholen voor hoogbegaafde leerlingen in te richten. Financieel is dit natuurlijk een zeer voordelige oplossing: de kostprijs van een leerkracht voor 20 hoogbegaafde kinderen is immers identiek aan deze van een leerkracht die voor een 'gewone' klas staat met 20 kinderen, op een eenmalige opleiding na en je hebt geen nood meer aan extra maatregelen (zoals bijvoorbeeld een kangoeroeklas) om de mogelijkheid te bieden aan begaafde leerlingen om met elkaar in contact te komen. Ondanks dat alle onderzoek aantoont dat dit zowat de beste oplossing is op alle vlakken, blijkt er hiervoor echter in Vlaanderen -mede door het gebrek aan informatie bij ouders, leerkrachten en leerlingenbegeleiders- momenteel nauwelijks interesse te zijn. Ouders, die voor hun kind de nood aan een andere aanpak niet zien, alhoewel het vaak meer dan genoeg signalen geeft, gaande van depressies tot motivatieproblemen en/of ongewenst gedrag. Leerkrachten en leerlingenbegeleiders die niet goed een knoop durven doorhakken of tegen ouders  durven ingaan omdat ze ook niet juist weten hoe de vork aan de steel zit. Een informatiecampagne zou voor alle betrokkenen kunnen bijdragen tot het nemen van beter gefundeerde en meer doordachte beslissingen.

Een dergelijke campagne is ons inziens alleszins in de onderwijswereld zeer belangrijk. Op korte termijn voor de scholen en de CLB's. Op langere termijn via de lerarenopleiding. Dank zij zo'n campagne kunnen de leerkrachten dan op verantwoorde wijze leren omgaan met deze kinderen, zodat deze zich, doorheen een ononderbroken leerproces, ongehinderd kunnen ontplooien tot zelfzekere en leergierige volwassenen.

 

 


Gebruikt jouw school al het stappenplan voor leerlingen met een leervoorsprong?

  ©eduratio.be - Opmerkingen en vragen zijn welkom op info@eduratio.be (of schrijf daar in op onze nieuwsbrief)
Overzicht van de volledige website


site tracking